Uitgesteld verdriet

Uitgesteld verdriet

We waren op bezoek bij vrienden in Utrecht. Ze wonen in een bovenwoning aan een drukke, gevaarlijke straat. Ik ging met de kinderen naar binnen terwijl mijn vriend de auto nog even wegzette en nam alvast de eerste kop koffie in ontvangst. ‘Mama, waar is papa?’ vroeg mijn, toen driejarige, zoon Mees. ‘Oh die is even naar de auto. Kijk maar of je hem ziet,’ antwoordde ik en kletste verder. Door het raam bedoelde ik. Op straat, begreep hij.

Zo’n tien minuten later vroeg ik me af waar Mees was gebleven. ‘Die zit vast ergens op een van de kamers,’ reageerde mijn vriendin. Ik riep hem, maar er kwam geen antwoord. Een beetje onrustig ging ik naar hem op zoek, maar hij was nergens te bekennen. ‘Zou hij naar buiten zijn gegaan?’ vroeg mijn vriendin? Dat wimpelde ik af. ‘Dat zou hij nooit zomaar uit zichzelf doen.’
Ondertussen was de auto weggezet, m’n vriend gearriveerd en ik onrustig. ‘Ik ga buiten zoeken’, zei hij. Ik sputterde nog wat tegen. Mees was nog nooit zomaar weggelopen, dus waarom zou hij dat nu opeens doen? Mijn vriend negeerde me, liep naar buiten en kwam vijf minuten later terug mét een bedrukt kijkende Mees aan zijn hand.

‘Maar jongen toch, wat fijn dat je er weer bent,’ zei ik terwijl ik hem plat knuffelde. Zijn vader had hem aan de andere kant van die drukke weg gevonden, een bezorgde meneer aan zijn zijde. ‘Hij wist niet meer waar hij woonde’ had die meneer gezegd. ‘Dus liepen we maar terug in de richting waar hij vandaan kwam.’ Ondertussen was Mees weer lekker aan het spelen. Er leek geen vuiltje aan de lucht. ‘Goh, dacht ik nog even, daar gaat hij wel heel relaxed mee om.’

Toen we een paar uur later terug naar huis reden keek ik eens goed naar hem. Met een bleek snoetje zat hij bedeesd in zijn autostoel. ‘Wat zul jij geschrokken zijn toen je daar in je eentje buiten liep en papa niet kon vinden,’ zei ik achterstevoren zittend terwijl we over de A2 zoefden. En toen begon hij zo hard te huilen dat ik er bijna van schrok. Hij snikte en schokte, en vertelde hortend en stotend zijn verhaal. Dat ík hem naar buiten stuurde (toen begreep ik het pas) en dat papa daar helemaal niet was. Dat hij hem ging zoeken, maar toen verdwaalde en heel bang was.
Hij huilde en huilde de hele weg lang. Al zijn uitgestelde verdriet en angst kwam eruit. Ik kroop naast hem op de achterbank en hield zijn handjes vast. Wat was ik blij dat ik hem gevraagd had hoe het voor hem was. Alleen zo jammer dat ik het aan het begin van de anderhalf uur lange reis had gedaan.

Laat een reactie achter