“De juf zegt dat mijn zoon misschien ADHD heeft. Maar als ik jouw boek lees, denk ik: hij is gewoon temperamentvol. Wie heeft er nu gelijk?”
Deze vraag krijg ik bijna elke week, in allerlei varianten. Over ADHD, over autisme, over hoogbegaafdheid. En eerlijk gezegd vind ik het een van de moeilijkste vragen die er zijn.
Dit is mijn vak. Ik heb meerdere opleidingen gevolgd, waaronder een master Special Educational Needs, heb me gespecialiseerd in kinderen die net iets anders nodig hebben, en werk al ruim twintig jaar met ouders, kinderen en professionals. Ondertussen blijf ik leren: ik lees veel onderzoek en volg mensen die zich helemaal hebben gespecialiseerd in ADHD, autisme of hoogbegaafdheid. En toch heb ik het ene, sluitende antwoord nog steeds niet. Ik denk ook niet dat dat bestaat. Zelfs de wetenschap buitelt hier nog over elkaar heen.
Wat ik wel heb, is een manier van kijken. Gegroeid uit al die kennis en al die jaren met ouders en kinderen. Die visie deel ik hieronder graag met je. Niet als de waarheid, maar als hoe ik er op dit moment naar kijk.
Nog een kleine noot vooraf: ik schrijf in dit blog steeds ‘hij’. Overal waar hij staat, kun je natuurlijk ook zij lezen. Er zijn net zoveel meisjes die zich in dit verhaal herkennen, al worden zij nog weleens later gezien.
Het zijn geen losse hokjes
Veel ouders zien al die termen als hokjes. Je kind past in het ene hokje óf in het andere. Maar ik denk dat het zo niet in elkaar zit.
Alle kinderen hebben in meer of mindere mate eigenschappen als gevoeligheid, beweeglijkheid, moeite met veranderingen of een sterke wil. Het ene kind heeft er een beetje van, het andere heel veel. Het loopt allemaal geleidelijk in elkaar over, als een soort glijdende schaal. Ergens op die schaal spreken deskundigen van ADHD of autisme. Waar die grens ligt, is niet altijd scherp. Deskundigen kijken daarbij ook naar de mate waarin een kind in het dagelijks leven vastloopt.
Daarom zie je zoveel overlap. Een kind kan temperamentvol zijn én ADHD hebben. Of hoogbegaafd zijn én heel gevoelig. Of autisme hebben én een enorm sterke wil. Het ene woord verklaart nooit alles, en sluit ook niets uit.
Wat ik bedoel met temperamentvol
Toen ik zo’n twintig jaar geleden de term temperamentvol introduceerde als beschrijving voor kinderen die gevoeliger, intenser en opmerkzamer zijn in combinatie met een sterke wil, werd dat woord nog nauwelijks zo gebruikt. Ik zocht een woord dat beschrijft wat je ziet, zonder er een stoornis van te maken.
Want die vier eigenschappen zijn natuurlijk, naast dat ze voor uitdagingen zorgen, ook heel mooi. Bij volwassenen waarderen we ze vaak enorm, maar bij kinderen vinden we ze al snel ingewikkeld. Het is de combinatie van die vier die maakt dat ik een kind temperamentvol noem, en die combinatie is bij ieder kind anders. Het ene kind heeft een enorm sterke wil en is maar iets gevoeliger dan gemiddeld, bij het andere kind is het precies andersom. Het is geen diagnose en geen label. Het is een beschrijving van een combinatie van eigenschappen, waarin heel veel ouders hun kind herkennen.
En hoogbegaafdheid?
Hoogbegaafdheid hoort eigenlijk niet in hetzelfde rijtje als ADHD en autisme. Het is geen diagnose. Het gaat over kinderen die heel snel en complex kunnen denken, vaak met veel nieuwsgierigheid, creativiteit en gedrevenheid.
Toch zie ik ook hier veel overlap met temperamentvol. Heel kort door de bocht: veel hoogbegaafde kinderen die ik tegenkom, herken ik ook als temperamentvol. Maar lang niet alle temperamentvolle kinderen zijn hoogbegaafd. Wel is het goed om te beseffen: de hoogbegaafde kinderen die ik tegenkom, zijn vaak kinderen bij wie ouders hulp zoeken omdat het thuis of op school niet vanzelf gaat. Dat kleurt natuurlijk wat ik zie.
Die overlap is al lang geleden beschreven. De Poolse psychiater en psycholoog Kazimierz Dabrowski sprak over overexcitabilities: een verhoogde gevoeligheid en intensiteit in denken, fantasie, bewegen, zintuigen en gevoel. Een kind dat niet kan stoppen met vragen stellen. Dat kriebelende labels niet verdraagt. Dat helemaal opgaat in een fantasiewereld, of verdriet heel diep voelt. Dat herken je ook bij veel temperamentvolle kinderen. Wel laat onderzoek zien dat lang niet alle hoogbegaafde kinderen zo intens zijn. (Daarover meer in het tweede deel van dit blog, waarin ik iets verder uitweid over de wetenschappelijke bevindingen op dit gebied.)
Kan onderzoek dan zinvol zijn? Ja, zeker. Bijvoorbeeld als je kind zich op school verveelt, onderpresteert of niet lekker in zijn vel zit, en je wilt weten wat hij aankan en nodig heeft. Een intelligentieonderzoek kan dan helpen om onderwijs en begeleiding beter af te stemmen. En een kind kan hoogbegaafd zijn én bijvoorbeeld ADHD of autisme hebben. Dat wordt ook wel dubbel bijzonder genoemd.
Hoe ik het zie
Een kind is altijd wie hij is in relatie tot zijn omgeving en zijn omstandigheden.
Ik zie het een beetje als lagen. Ieder kind heeft een temperament: de manier waarop het van nature op de wereld reageert. Bij het ene kind is dat rustig en flexibel, bij het andere temperamentvol. Daarnaast kan er bij sommige kinderen iets anders spelen, zoals ADHD, autisme of hoogbegaafdheid. Dat kan prima tegelijk.
Maar wat er ook in de basis in een kind zit: hoe dat tot uiting komt, en of het een kracht wordt of een valkuil, heeft altijd ook veel te maken met de omgeving. Dezelfde gevoeligheid waardoor een kind in een drukke klas overspoeld kan raken, maakt hem in een veilige omgeving juist heel invoelend. En de sterke wil die ouders en professionals soms tot wanhoop kan drijven, bij een kind dat telkens de hakken in het zand zet, kan met de juiste ondersteuning en begeleiding uitgroeien tot een krachtige persoonlijkheid.
En omdat al die dingen op elkaar kunnen lijken, of elkaar juist versterken, is het van buitenaf vaak moeilijk te zien wat nu wat is. Een kind dat ontploft na een drukke schooldag kan temperamentvol zijn, autisme hebben, of allebei. Het gedrag zelf vertelt je dat niet.
Daar komt bij: er bestaat geen hét ADHD-kind. Er bestaat geen hét autistische kind, geen hét hoogbegaafde kind, en ook geen hét temperamentvolle kind. Al die kinderen verschillen onderling enorm. Daarom zie ik een kind ook nooit als iets vaststaands.
Voor de eerste vraag, hoe kan ik mijn kind helpen?, maakt het daarom in eerste instantie niet zo veel uit waar die eigenschappen vandaan komen. Of het nu samenhangt met een diagnose, met hoogbegaafdheid, of gewoon met wie je kind is: wat je kind moeilijk vindt en wat hij extra nodig heeft, is er hoe dan ook. Dat wil niet zeggen dat een diagnose nooit zinvol is. Daar kom ik zo op terug.
Druppels en batterijtjes
Zelf beschrijf ik het graag aan de hand van het emmertje. Dat is geen wetenschappelijk model en ook geen manier om een diagnose te stellen. Het is een praktische manier van kijken die ik in de loop der jaren heb ontwikkeld, en die al tienduizenden ouders heeft geholpen om het gedrag van hun kind beter te begrijpen, en om thuis meer rust en ruimte te creëren.
Ieder kind heeft een emmertje waar gedurende de dag druppels in vallen. Bij een temperamentvol kind vallen er om te beginnen meer druppels in dat emmertje. Temperamentvolle kinderen ervaren namelijk veel dingen als ingewikkelder dan andere kinderen. Dingen waar andere kinderen nauwelijks last van hebben, kunnen voor hen al een druppel zijn. En situaties die voor andere kinderen lastig zijn, kunnen voor hen een grote druppel worden. Is de emmer vol, dan zie je moeilijk gedrag. Is er ruimte, dan zie je al het mooie van je kind.
Door hun vier eigenschappen hebben temperamentvolle kinderen meer last van vijf soorten druppels: prikkels, overgangen, afwijzing, spannende gebeurtenissen en macht.
Naast het emmertje gebruik ik nog een tweede beeld: batterijtjes. Temperamentvolle kinderen hebben van vier dingen meer nodig dan andere kinderen om goed in hun vel te zitten. Ik noem dat de vier batterijtjes: verbinding, ontspanning, voorspelbaarheid en controle. Zijn die batterijtjes goed opgeladen, dan kan een kind meer hebben. Raken ze leeg, dan loopt het emmertje sneller vol.
Het mooie is dat je die druppels en batterijtjes bij heel veel kinderen terugziet, ook bij kinderen met ADHD, autisme of hoogbegaafdheid. Een kind met autisme heeft vaak veel last van prikkels en veel behoefte aan voorspelbaarheid. Een deel van de kinderen met ADHD reageert heftig op kritiek of afwijzing. En wat je tegenwoordig leest over PDA, raakt sterk aan de druppel macht en het batterijtje controle. Onderzoek laat bovendien zien dat het vermijden van eisen vaak samenhangt met angst en moeite met onzekerheid. Dan is ook het batterijtje voorspelbaarheid belangrijk.
Het verschil zit vooral in de mate. Bij het ene kind valt de druppel macht als een flinke plens in de emmer, terwijl prikkels weinig doen. Bij het andere kind is het batterijtje voorspelbaarheid zo snel leeg dat de hele dag daarop vastloopt.
Waar het uiteindelijk om gaat
Of je kind nu temperamentvol is, ADHD heeft, autisme of hoogbegaafd is, of een combinatie: het belangrijkste is dat jij je kind leert kennen. Welke druppels vallen bij jouw kind het hardst? Welk batterijtje raakt het snelst leeg? Wat helpt hem om te ontspannen, op zíjn manier?
Als ouder heb je daar meer invloed op dan je misschien denkt. Je kunt er voor een groot deel voor zorgen dat de mooie kanten van je kind naar boven komen, en de lastige kanten meer naar de achtergrond verdwijnen. En soms heb je daarnaast nog extra hulp nodig. Dat hoort er ook gewoon bij.
Dus wie heeft er nu gelijk, de juf of het boek? Misschien allebei. En misschien is dat ook niet de belangrijkste vraag. Want wat je kind nodig heeft, kun je vandaag al gaan ontdekken, wat het antwoord ook wordt.
En een diagnose dan?
Over diagnoses lopen de meningen flink uiteen. Voorstanders zeggen: met een diagnose voelen kinderen en ouders zich eindelijk begrepen. Je ziet dat het niet aan jou ligt, en ook niet aan je kind. Er wordt rekening met je gehouden, en je krijgt inzicht en handvatten die helpen.
Anderen zijn kritischer. Zij zeggen: het is allemaal niet zo zwart-wit. Met een diagnose alleen is er nog niets veranderd. Pas daarna begint het eigenlijke werk: kijken wat er in de omstandigheden anders moet. En doordat er steeds meer diagnoses worden gesteld, raken de kinderen die het echt heel hard nodig hebben soms een beetje ondergesneeuwd. Als iedereen die een beetje wiebelig is zegt ‘ik heb ADHD’, voelt iemand met echt ernstige ADHD zich juist minder gezien.
Ik ben zeker geen tegenstander van diagnoses. Bij ADHD, autisme of andere dingen die in de DSM staan, het handboek van psychologen en psychiaters, kan het echt zinvol zijn om verder te laten kijken. Bijvoorbeeld als je kind zelf blijft worstelen, overal tegenaan loopt en thuis of op school niet goed kan functioneren. Zeker als je al heel veel aanpast, bewust rekening houdt met de druppels en de batterijtjes oplaadt, en het nog steeds te weinig verschil maakt. Dat hoeft trouwens niet na elkaar: aanpassen en verder laten kijken kan prima tegelijk.
Soms lijkt gedrag op ADHD, autisme of temperamentvol zijn, maar speelt er ook iets anders mee. Bijvoorbeeld een ingrijpende gebeurtenis, langdurige spanning of onrust in de hechting. Ook dan kan het fijn zijn om een professional mee te laten kijken.
Ik hoor van ouders allebei de kanten. Er zijn ouders bij wie al eens een vermoeden van ADHD of autisme was uitgesproken, en bij wie de problemen zo afnamen toen ze anders gingen kijken en dingen gingen aanpassen, dat verder onderzoek niet meer nodig voelde. En er zijn ouders die merkten dat er weliswaar veel meer rust en ontspanning kwam, maar toch voelden dat er bij hun kind meer speelde. Zij lieten alsnog onderzoek doen en kregen een diagnose. Allebei is helemaal goed. Dat de problemen afnemen, betekent overigens niet automatisch dat er niets anders speelt. Het betekent wel dat je kind meer krijgt van wat hij nodig heeft.
Wat ik wel soms zie, is dat alleen naar het kind wordt gekeken en niet naar de omstandigheden. Het idee is dan: dit zijn de omstandigheden, en daar moet een kind maar mee kunnen omgaan. Lukt dat niet, dan ligt het aan het kind. Dat raakt me. Want soms is het gedrag van een kind juist een heel begrijpelijke reactie op een omgeving die niet bij hem past.
Met of zonder diagnose: rekening houden met wat je kind moeilijk vindt en wat hij extra nodig heeft, is altijd het vertrekpunt. Het is de basis waar ieder kind baat bij heeft. Een diagnose kan daar iets aan toevoegen, maar vervangt die basis nooit.
Wat je bij mij leert
Er valt niets te fixen aan je kind. Hij is helemaal goed zoals hij is. En jij doet het ook niet verkeerd. Geen twee temperamentvolle kinderen zijn hetzelfde. Daarom ga ik altijd samen met jou op zoek naar wat bij jóuw kind past, en hoe je de druppels en batterijtjes zo kunt afstemmen dat ze voor jouw kind kloppen. Zodat er meer ruimte komt voor wie je kind ten diepste is.
Dat doe ik op allerlei manieren:
- In mijn boek Temperamentvolle Kinderen lees je de basis van deze manier van kijken.
- Op Instagram en LinkedIn deel ik regelmatig inzichten, herkenbare situaties en antwoorden op vragen die ik krijg.
- In mijn online cursus Begrijp je temperamentvolle kind neem ik je elf weken lang stapje voor stapje mee. Omdat ieder kind anders is, zitten er ook livesessies in en kun je al je vragen aan mij stellen.[eb1]
- En voor professionals geef ik lezingen en trainingen, op scholen, in de kinderopvang en op congressen. Want hoe meer mensen om een kind heen hetzelfde zien, hoe meer ruimte er in dat emmertje komt.
En voor ouders schrijf ik iedere zondag een nieuwsbrief (die overigens ook veel gelezen wordt door professionals). Hier[eb2] kun je je daarvoor inschrijven.
Voor de liefhebber: wat weten we uit onderzoek?
Misschien ben jij iemand die, net als ik, altijd nieuwsgierig blijft naar alles wat erover geschreven en gepubliceerd wordt. Of werk je als professional met deze kinderen. Dan heb ik hieronder zo goed mogelijk op een rijtje gezet wat er, voor zover ik weet, op dit moment bekend is.
Ik probeer daarbij onderscheid te maken tussen wat onderzoek laat zien, hoe je dat kunt interpreteren, en mijn eigen pedagogische visie. Het model van de druppels en de batterijtjes hoort bij dat laatste. Het is een praktische manier van kijken, geen wetenschappelijk gevalideerd verklaringsmodel. Losse onderdelen ervan sluiten wel aan bij onderzoek naar temperament, stress en emotieregulatie.
Verschillende soorten begrippen
ADHD en autisme zijn classificaties uit de DSM-5. Hoogbegaafdheid is geen classificatie maar een cognitief profiel. Temperamentvol beschrijft temperament. Begrippen als PDA en rejection sensitive dysphoria hebben geen officiële status. Die woorden staan dus niet op één lijn, en dat verklaart veel van de verwarring.
Een glijdende schaal
Een grote tweelingstudie uit 1997 concludeerde dat ADHD het best gezien kan worden als het uiterste van een gedrag dat bij de hele bevolking in meer of mindere mate voorkomt. Een Australische analyse uit 2006 kwam tot dezelfde conclusie: ADHD gedraagt zich eerder als een dimensie dan als een aparte categorie (Haslam e.a., 2006). Ook autistische kenmerken blijken in de algemene bevolking geleidelijk verdeeld te zijn, zonder scherpe scheiding (Constantino & Todd, 2003). Onderzoekers benadrukken daarbij dat de huidige diagnostische criteria in de praktijk wel bruikbaar blijven. Een diagnose is dan ook meer dan een afkappunt op één schaal: ook de ontwikkelingsgeschiedenis, kenmerken in meerdere situaties en beperkingen in het dagelijks functioneren tellen mee.
Hoe gevoelig de beoordeling van gedrag is, blijkt uit onderzoek naar leeftijd in de klas. In een Amerikaanse studie kregen kinderen die in augustus jarig zijn, net vóór de schoolgrens van 1 september en dus de jongsten van de klas, ruim 30 procent vaker een ADHD-diagnose dan klasgenoten die in september jarig zijn. Een internationale review vond dit effect in landen met veel én weinig diagnoses, al verschilt de grootte per land. Dat betekent niet dat al die extra diagnoses onterecht zijn, wel dat de leeftijd binnen de klas meeweegt in hoe gedrag wordt gezien. In Nederland is de grens minder hard, omdat de overstap naar groep 3 mede afhangt van de ontwikkeling van een kind. Maar ook hier kan het leeftijdsverschil binnen één klas oplopen tot ruim een jaar.
Temperamentsonderzoek
Het begrip temperamentvol bouwt voort op een lange traditie. De kinderpsychiaters Thomas en Chess volgden vanaf 1956 ruim honderd kinderen tot in de volwassenheid. Ongeveer tien procent paste in wat zij het ‘moeilijke’ temperament noemden. Hun belangrijkste inzicht: het gaat niet zozeer om het temperament zelf, maar om hoe goed het past bij de verwachtingen en de stijl van de omgeving. Zij noemden dat goodness of fit.
Temperament en ADHD
Studies laten consequent zien dat een hoog activiteitsniveau, veel negatieve emoties en weinig ‘effortful control’ (het vermogen om jezelf bewust bij te sturen) samenhangen met een groter risico op ADHD. Het gaat om statistische samenhang, niet om kenmerken waarmee je ADHD kunt vaststellen of uitsluiten. Heftige emotionele reacties staan niet in de officiële criteria, maar worden breed erkend als onderdeel van het beeld. Onderzoeker Joel Nigg beschrijft dat een stoornis soms het uiterste is van een temperamentstrek, en soms voortkomt uit een samenspel van kwetsbaarheid en omgeving.
Autisme en prikkels
Sinds 2013 noemt de DSM-5 over- of ondergevoeligheid voor zintuiglijke prikkels als mogelijk kenmerk van autisme. Ook mensen zonder autismediagnose kunnen prikkelgevoelig zijn. Prikkelgevoeligheid alleen is dus onvoldoende om autisme vast te stellen.
Hoogbegaafdheid en intensiteit
Er is geen eenduidige definitie van hoogbegaafdheid. In Nederland is het triadisch model van Renzulli en Mönks bekend, waarin aanleg samenwerkt met gezin, school en vrienden. De Nederlandse Delphi-definitie beschrijft een hoogbegaafde onder meer als “een sensitief en emotioneel mens, intens levend”. Dat is een definitie op basis van consensus onder deskundigen, geen onderzoeksuitkomst.
De overexcitabilities van Dabrowski worden vaak aangehaald. Een recente meta-analyse van twintig studies vond een verband met hoogbegaafdheid, het sterkst op intellectueel en het zwakst op emotioneel vlak. Werd hoogbegaafdheid alleen op intelligentie gemeten, dan was het verband niet significant. Bovendien waren de verschillen vooral zichtbaar bij middelbare scholieren, niet bij jongere kinderen of volwassenen, en zijn de effecten waarschijnlijk wat overschat doordat vooral positieve resultaten worden gepubliceerd. De onderzoekers adviseren voorzichtigheid. Hoogbegaafde kinderen zijn dus niet per definitie emotioneel gevoeliger of intenser dan andere kinderen.
Hoogbegaafdheid en ADHD hebben overlappende kenmerken, en een hoge intelligentie kan moeilijkheden deels compenseren. Hoe vaak ADHD bij hoogbegaafde kinderen ten onrechte wordt vastgesteld, of juist gemist, is onvoldoende onderzocht. En hoogbegaafdheid sluit ADHD niet uit.
Samen voorkomen
Pas sinds de DSM-5 in 2013 is een dubbele diagnose ADHD én autisme expliciet mogelijk. Een meta-analyse schatte dat ongeveer 28 procent van de mensen met autisme ook ADHD heeft, met flinke verschillen tussen studies. Andersom haalt ongeveer 21 procent van de kinderen en jongeren met ADHD in onderzoek de gebruikte drempelwaarde voor autisme.
Trauma, hechting en de overlap
Gedrag dat op ADHD of autisme lijkt, kan ook samenhangen met ingrijpende ervaringen of met problemen in de hechting. En het kan ook samen voorkomen.
Trauma en ADHD. Gevolgen van traumatische stress, zoals schrikachtigheid, prikkelbaarheid, onrust en moeite met concentreren, kunnen sterk lijken op kenmerken van ADHD. Een grote Amerikaanse studie onder ruim 76.000 kinderen, op basis van een landelijke gezondheidsenquête onder ouders, vond dat kinderen met ADHD vaker ingrijpende jeugdervaringen hadden meegemaakt. Hoe meer van zulke ervaringen, hoe groter de kans dat ouders een ADHD-diagnose meldden en de ADHD als ernstiger beoordeelden. Dat betekent niet dat trauma ADHD veroorzaakt. Het verband kan twee kanten op werken, en een kind kan allebei hebben. Wel pleiten de onderzoekers ervoor om bij onderzoek naar ADHD standaard te vragen naar ingrijpende ervaringen.
Ernstige verwaarlozing en autismeachtige kenmerken. Het Engels-Roemeense adoptieonderzoek volgde kinderen die als baby of peuter in ernstige deprivatie in Roemeense weeshuizen hadden geleefd. Wie daar langer dan zes maanden had gezeten, had tot in de jongvolwassenheid vaker autismeachtige kenmerken, ongeremd sociaal contact en onoplettendheid en overactiviteit dan een Britse vergelijkingsgroep. De onderzoekers spreken van quasi-autisme: het lijkt op autisme, maar heeft een andere oorsprong. Ook de onoplettendheid en overactiviteit vertoonden veel overeenkomsten met ADHD. Het gaat hier wel om extreme omstandigheden die voor de meeste gezinnen niet aan de orde zijn.
Hechtingsstoornis of autisme? De DSM-5 kent twee hechtingsstoornissen: de reactieve hechtingsstoornis, en een stoornis waarbij een kind juist zonder terughoudendheid contact zoekt met vreemden. Die ontstaan na ernstige verwaarlozing of mishandeling, autisme niet. In een Schotse studie leken 36 van de 58 autistische kinderen op basis van ouderlijsten aan de kerncriteria van een reactieve hechtingsstoornis te voldoen. Gestructureerde observatie liet bij op één na alle kinderen zien dat het om autisme ging. De sociale moeilijkheden leken op elkaar, maar de kwaliteit van het contact verschilde.
Wat ik hieruit haal: gedrag alleen vertelt je niet waar het vandaan komt. Daarom kijken zorgvuldige diagnostici altijd ook naar de ontwikkelingsgeschiedenis, de omstandigheden en het gedrag in verschillende situaties.
PDA
Elizabeth Newson introduceerde de term in de jaren tachtig. Veel mensen spreken nu liever van persistent of pervasive drive for autonomy. Het begrip staat niet in de DSM-5 of de ICD-11. Britse autismeonderzoekers concludeerden in The Lancet Child & Adolescent Health dat de onderbouwing voor PDA als apart syndroom ontbreekt, maar dat het wel wijst op echte moeilijkheden voor gezinnen. Een recente vragenlijststudie onder bijna 800 ouders vond dat het vermijden van eisen in alle groepen samenhing met angst en autistische kenmerken. Bij kinderen met een PDA-profiel speelde daarnaast prikkelgevoeligheid een opvallende rol: sommige kinderen zijn bijvoorbeeld erg gevoelig voor aanraking of zoeken juist veel prikkels op. Bij kinderen zonder autismediagnose hing het vermijden van eisen vooral samen met moeite met onzekerheid.
Afwijzingsgevoeligheid
Rejection sensitive dysphoria is vooral door psychiater William Dodson op de kaart gezet, op basis van zijn praktijkervaring en met weinig formeel onderzoek als onderbouwing. Het is geen officiële diagnose en geen officieel ADHD-symptoom. Een recente scoping review vond twaalf relevante studies naar reacties op afwijzing bij autistische volwassenen. Die laten zien dat sommigen afwijzing als zeer ingrijpend ervaren, maar door uiteenlopende definities en wisselende onderzoeksresultaten is nog onduidelijk of RSD een afzonderlijk verschijnsel is. In het Tijdschrift voor Psychiatrie pleit dezelfde onderzoeker ervoor om liever te spreken over afwijzingsgevoeligheid als een spectrum. Wel goed onderzocht is dat naar schatting 25 tot 45 procent van de kinderen met ADHD moeite heeft met het reguleren van emoties. Dat is breder dan gevoeligheid voor afwijzing, maar raakt er wel aan.
Gevoelig voor slecht én goed
Onderzoekers als Belsky en Pluess beschrijven differentiële gevoeligheid. In vragenlijstonderzoek wordt naar schatting 20 tot 35 procent van de kinderen als hoog omgevingsgevoelig ingedeeld. Baby’s met een ‘moeilijk’ temperament hadden in een aantal studies later meer problemen bij tekortschietende zorg, maar juist minder problemen en meer sociale vaardigheden dan andere kinderen bij zorg van hoge kwaliteit. Dat patroon is niet in elk onderzoek teruggevonden.
Juist kinderen die extra gevoelig zijn voor een moeilijke omgeving, kunnen ook extra profiteren van een passende omgeving.
Wat levert een diagnose op, en wat niet?
Over de waarde van een diagnose is veel geschreven, met argumenten aan beide kanten.
Wat het oplevert. In een overzicht van kwalitatieve studies voor de Britse richtlijn (NICE) noemden mensen met ADHD en hun ouders veel voordelen: een beter zelfbeeld doordat hun moeilijkheden erkend werden, meer zelfinzicht, en minder stigma rond hun kind. Een systematische review naar ervaringen van volwassenen die een autismediagnose kregen, laat zien dat een diagnose kan bijdragen aan zelfinzicht, acceptatie en verbondenheid, al worden ook nadelen zoals stigma en onvoldoende ondersteuning beschreven. Ouders van autistische kinderen beschrijven opluchting omdat ze eindelijk een naam hadden voor wat ze zagen, en niet langer het gevoel hadden dat het aan hun opvoeding lag.
De kanttekeningen. Een systematische scoping review van 334 studies vond overtuigend bewijs voor overdiagnose van ADHD bij kinderen en jongeren. Vooral bij mildere klachten kunnen de nadelen van een diagnose volgens de auteurs mogelijk zwaarder wegen dan de voordelen, hoewel daar nog weinig direct onderzoek naar is gedaan. Een meta-analyse in JAMA Psychiatry liet zien dat het meetbare verschil tussen mensen met en zonder autisme in de loop der jaren is afgenomen, in vijf van zeven onderzochte domeinen met 45 tot 80 procent. De onderzoekers waarschuwen dat een steeds bredere definitie van autisme het moeilijker kan maken om de onderliggende mechanismen te begrijpen. Een label kan ook de blik van de omgeving kleuren: in een experiment leidde het label ADHD bij leerkrachten tot negatievere verwachtingen en minder vertrouwen in hun eigen vermogen om het kind les te geven. De resultaten van zulke labelstudies zijn overigens niet eenduidig.
In Nederland. De Gezondheidsraad wees in 2014 op een ervaren diagnosedruk vanuit ouders, onderwijs en zorg. Als mogelijke oorzaken van de groei noemde de raad onder meer toegenomen prestatiedruk en minder tolerantie voor afwijkend gedrag. Onder passend onderwijs is een diagnose in principe niet meer nodig om ondersteuning op school te krijgen.
Een nieuw Engels rapport. Op 9 oktober 2026 verscheen in Engeland een groot onafhankelijk overheidsrapport onder leiding van psycholoog Peter Fonagy. Het pleit voor een omslag van een systeem waarin hulp afhangt van een diagnose, naar een systeem dat uitgaat van behoeften, mét diagnostiek waar dat nodig is: needs-led plus diagnosis. Opvallend is dat het aantal verwijzingen en diagnoses voor ADHD en autisme daar sterk is gestegen, terwijl het vóórkomen in de bevolking volgens het rapport ongeveer gelijk lijkt te blijven.
Wat ik hieruit haal: een diagnose kan veel opleveren, zeker als de problemen ernstig zijn. Maar het is geen eindpunt. Ondersteuning en diagnostiek vullen elkaar aan, en de vraag wat dit kind nodig heeft en wat de omgeving kan aanpassen, blijft altijd bestaan.
Jouw kijk
Ben jij professional en werk je met deze kinderen? Dan ben ik heel benieuwd hoe jij hiernaar kijkt. Misschien zie je dingen die ik over het hoofd zie. Misschien ken je onderzoek dat ik nog niet ken. Of misschien kijk je er vanuit jouw vakgebied gewoon net anders naar. Ik hoor het heel graag.
Want uiteindelijk willen we volgens mij allemaal hetzelfde: de wereld een stukje fijner maken voor alle kinderen die niet helemaal gemiddeld zijn.
Bronnen
- American Psychiatric Association (2013). DSM-5.
- Thomas, A. & Chess, S. (1977). Temperament and Development.
- Levy, F. e.a. (1997). ADHD: a category or a continuum? J. Am. Acad. Child Adolesc. Psychiatry.
- Haslam, N. e.a. (2006). The latent structure of ADHD. Aust. N. Z. J. Psychiatry.
- Constantino, J.N. & Todd, R.D. (2003). Autistic traits in the general population: a twin study. Archives of General Psychiatry, 60(5), 524–530. https://doi.org/10.1001/archpsyc.60.5.524
- Whitely, M. e.a. (2018). ADHD late birthdate effect. J. Child Psychol. Psychiatry.
- Layton, T. e.a. (2018). ADHD and month of school enrollment. NEJM.
- Nigg, J.T. (2006). Temperament and developmental psychopathology. J. Child Psychol. Psychiatry.
- Lai, M.-C. e.a. (2019). Prevalence of co-occurring mental health diagnoses in the autism population: a systematic review and meta-analysis. Lancet Psychiatry, 6(10), 819–829.
- Hollingdale, J. e.a. (2020). Autistic spectrum disorder symptoms in children and adolescents with attention-deficit/hyperactivity disorder: a meta-analytical review. Psychological Medicine, 50(13), 2240–2253. https://doi.org/10.1017/S0033291719002368
- Olszewski-Kubilius, P. e.a. (2026). A meta-analysis of research on the relationship between overexcitabilities and giftedness. Gifted Child Quarterly, 70(2), 111–138. Online verschenen in oktober 2025.
- Mönks, F. & Ypenburg, I. Hoogbegaafdheid bij kinderen.
- Kooijman-van Thiel, M. (red.) (2008). Hoogbegaafd. Dat zie je zo!
- Webb, J.T. e.a. Misdiagnose en dubbeldiagnose bij hoogbegaafdheid.
- Green, J. e.a. (2018). PDA: symptoms but not a syndrome. Lancet Child & Adolescent Health.
- Rai, A.J. e.a. (2026). Sensory reactivity and intolerance to uncertainty: What characterises demand avoidance behaviours in children and adolescents with pathological demand avoidance? Research in Autism, 131, 202816. https://doi.org/10.1016/j.reia.2026.202816
- van Asselt, A., Reekers, D. & Roke, Y. (2026). Rejection Sensitivity Dysphoria in Autistic Adults: A Scoping Review. Neurodiversity, 4, 1–12. https://doi.org/10.1177/27546330261441753
- van Asselt, A. (2026). Rejection sensitivity dysphoria. Tijdschrift voor Psychiatrie, 68(3).
- Shaw, P. e.a. (2014). Emotion dysregulation in attention deficit hyperactivity disorder. American Journal of Psychiatry, 171(3), 276–293. https://doi.org/10.1176/appi.ajp.2013.13070966
- Belsky, J. & Pluess, M. (2009). Differential susceptibility to environmental influences. Psychological Bulletin.
- Pluess, M. & Belsky, J. (2009). Differential susceptibility to rearing experience: the case of childcare. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 50(4), 396–404. https://doi.org/10.1111/j.1469-7610.2008.01992.x
- Pluess, M. e.a. (2018). Environmental sensitivity in children: Development of the Highly Sensitive Child Scale and identification of sensitivity groups. Developmental Psychology, 54(1), 51–70. https://doi.org/10.1037/dev0000406
- Kazda, L. e.a. (2021). Overdiagnosis of ADHD in children and adolescents: a systematic scoping review. JAMA Network Open.
- Rødgaard, E.-M. e.a. (2019). Temporal changes in effect sizes of studies comparing individuals with and without autism. JAMA Psychiatry.
- Ohan, J. e.a. (2011). Teachers’ and education students’ perceptions of children with and without the diagnostic label ADHD. Journal of School Psychology.
- NICE (2018). Evidence reviews: information and support for people with ADHD.
- Nayyar, J.M. e.a. (2025). Exploring lived experiences of receiving a diagnosis of autism in adulthood: A systematic review. Autism in Adulthood, 7(1), 1–12. https://doi.org/10.1089/aut.2023.0152
- Gezondheidsraad (2014). ADHD: medicatie en maatschappij.
- Fonagy, P. e.a. (2026). Independent review into prevalence and support for mental health conditions, ADHD and autism in England. UK Government.
- Brown, N.M. e.a. (2017). Associations between adverse childhood experiences and ADHD diagnosis and severity. Academic Pediatrics, 17(4), 349–355.
- Sonuga-Barke, E.J.S. e.a. (2017). Child-to-adult neurodevelopmental and mental health trajectories after early life deprivation: the young adult follow-up of the longitudinal English and Romanian Adoptees study. The Lancet, 389, 1539–1548.
- Davidson, C. e.a. (2015). Social relationship difficulties in autism and reactive attachment disorder: improving diagnostic validity through structured assessment. Research in Developmental Disabilities, 40, 63–72.
